Oud-leerling aan het woord: Morgan De Dapper

Terug naar overzicht

Morgan De Dapper

(Foto: Vic Wouters)

 

De excursie naar de witte krijtrotsen van Noord-Frankrijk kon helaas niet doorgaan. Dit jaar werkten we noodgedwongen een alternatief uit. Dankzij professor De Dapper leerden we de oudste geschiedenis van Deinze kennen. Via enkele grondboringen reisden we terug tot in het pleistoceen. Professor De Dapper is oud-leerling van onze school en blikt hier op een boeiende manier terug op zijn schooltijd. Een inspirerend artikel voor onze zesdejaars die binnenkort een studiekeuze moeten maken.

 

Ik werd geboren in het ‘moederhuis’ (nu ‘Lokaal Dienstencentrum Zeventiendorpen’ in de Gentpoortstraat) van Deinze (voor de fusies) in de hete zomer van 1947 en bracht een onbezorgde jeugd door in een eenvoudig warm nest in de wijk Sint-Hubertus van het naburige Petegem-aan-de-Leie, nu een deelgemeente van Deinze. Geboren kort na het einde van WO II ben ik dus een typische babyboomer die straks 74 wordt.

De eerste vier jaar van het lager onderwijs bracht ik door in de gemeenteschool van Petegem op Petegem kouter, rechtover het vroegere gemeentehuis. Mijn punten waren goed en daarom raadde onderpastoor Coorevits mijn ouders aan me naar het college, de ‘grote school’, in Deinze te sturen. Vanaf schooljaar 1957-1958 (ik herinner me zeer goed Expo ‘58, de wereldtentoonstelling op de Heizel in Brussel) zat ik zo bij meester Walgraeve in het vijfde studiejaar van ‘Sentarie’, waar mijn punten meteen 20 % zakten.  Die kon ik echter ophalen bij meester Careel in het zesde studiejaar.

Voor het middelbaar onderwijs was er toen weinig keuze in het college: de Handel of de Grieks-Latijnse Humaniora. Het werd dit laatste. In de zesde en vijfde Latijnse (het telde toen af van zesde naar Retorica) waren er nog twee aparte jaren, maar vanaf de vierde Latijnse tot de Retorica, gedurende vier jaar, zaten we voor alle vakken in dezelfde klas, wat tot een hechte band leidde. ‘Reto 65’, onze groep leerlingen die in 1965 afstudeerde, komt nog steeds regelmatig bijeen. In 2015, vijftig jaar na ons afstuderen, zijn we nog samengekomen in ons ‘geliefd gesticht’, zoals het in het Sint-Hendriklied beschreven stond (zingen jullie dit nog?). Spijtig genoeg zijn al een aantal medeleerlingen gestorven, maar we kijken uit naar de komende bijeenkomst, die vorig jaar door de COVID-epidemie moest uitgesteld worden.

Ik heb de beste herinneringen aan mijn collegetijd. Sint-Hendriks was groot genoeg om de onderwijskwaliteit van de ‘grote’ Gentse scholen te evenaren, maar ook klein genoeg om er niet in de anonimiteit te verdwijnen.

De leraren, waarvan velen priester van het bisdom Gent, kenden ons en we konden hen ook persoonlijk aanspreken. Het college was, en is waarschijnlijk nog, een katholiek bisschoppelijk college en dat had zo zijn consequenties. We moesten alle schooldagen om 16 uur naar de mis in de kapel die nu tot auditorium omgebouwd is. In de Retorica, toen we onze studiekeuze voor het hoger onderwijs moesten maken, deden we een oriënterend bezoek aan de KUL in Leuven. De nabije Rijksuniversiteit Gent werd genegeerd, alhoewel het grootste deel van de leerlingen die universitaire studies  aanvatten, dit aan de RUG deden. Ik heb echter nooit ondervonden dat ons een geloofsovertuiging opgedrongen werd. Wel integendeel, onze klastitularis van de Poësis (het vijfde jaar), E.H. Marcel Van Spaendonck (hij overleed in 2017), leerde ons onder het motto ‘Ama et fac quod vis’ van Augustinus, na te denken over ‘les Choses de la Vie’.

Vele zaken waren anders dan nu en sommige hadden kleine kantjes. Het was een jongensschool en we misten dus de meisjes in onze klas. Er was ook weinig of geen samenwerking met de andere scholen in Deinze en al zeker niet met het Atheneum, want dat was ‘slecht volk’ dat ons misschien op verkeerde gedachten zou kunnen brengen. Er was ook een duidelijke scheiding van de seksen die streng gehandhaafd werd. Ik herinner me nog het ‘filmforum’, een prille samenwerking tussen het college en de zusters Maricolen. Daarbij mochten de leerlingen van de hogere jaren samen naar kwaliteitsfilms (o.a. de Japanse film  ‘Het Naakte Eiland’ van grootmeester Kaneto Shindo) kijken in de zaal Capitole op de Markt. Binnen de zaal was er echter een strikte segregatie tussen meisjes en jongens met een rij lege stoelen (een soort ‘sexual distancing’) tussen beide geslachten in. Maar van dit alles hadden we toen eigenlijk weinig last, we leefden in een wereldje apart, zonder al te veel zorgen en vragen. We waren eigenlijk brave jongens die veel studeerden, mooie klasuitstappen deden – iedereen herinnert zich nog de Italië-reis in de Retorica -  en ook veel plezier hadden. Vooral tijdens de laatste maanden van de Retorica (de officiële ‘100 dagen’ bestonden toen nog niet) maakten we het een beetje bont. Op een nacht werd het ‘perronnetje’ (trappen aan het gebouw Leieoever) helemaal overschilderd met een witte kalkverf die gelukkig nog kon verwijderd worden. Tijdens een verplichte studie op het einde van een zaterdagvoormiddag (er was toen les tot zaterdagmiddag) lieten we op de zolder boven de studiezaal, via een eenvoudig maar vernuftig tijdmechanisme, een luide bel afgaan. De dienstdoende subregent kon de bron van het irritante geluid maar niet vinden en heeft ten einde raad de studie vervroegd moeten afbreken. Ondanks de kleine kantjes kijk ik met een vrolijke mildheid op mijn acht collegejaren terug: het was een mooie tijd!

 

morgan de dapper 01

‘Reto 65’ na 50 jaar terug op het ‘perronnetje’ dat ze tijdens hun ‘100 dagen’ een wit kleedje gaven.
(Foto: Jeanine De Keyser, 27 juni 2015)

 

En toen kwam de grote dag: einde juni 1965 studeerden we af in het college en stonden we voor een belangrijke keuze. Verder studeren of niet en, indien wel, wat studeren? Als jonge gast was ik steeds gefascineerd geweest door ontdekkingsreizen in verre landen en door het oude Egypte met zijn mummies. In de kleine gemeentelijke bibliotheek van Petegem had ik alle boeken erover verslonden.

En nu kreeg ik van mijn ouders de kans om, als eerste in de familie, een studie te beginnen aan de Rijksuniversiteit Gent. Eén kans weliswaar, erop of eronder, zonder groot vangnet.

Ik twijfelde tussen archeologie en een studie in de wetenschappen van de aarde. Het diploma archeologie bestond toen nog niet, je kon daarin specialiseren via de richting geschiedenis of kunstgeschiedenis. Daar kwamen weinig terreinwerk of verre landen bij kijken en deze optie werd al vlug verlaten. Bij de aardwetenschappen konden zowel geologie als geografie mij boeien. Ik koos uiteindelijk voor geografie omdat zij de brug bouwt tussen de mens en het fysisch milieu, tussen de menswetenschappen en de natuurwetenschappen. Een andere factor speelde ook een belangrijke rol. Mijn beide uitstekende leraren aardrijkskunde, zowel in het lager als in het hoger middelbaar,  Aloïs ‘Wies’ Vermeulen en Herman Goemaere hebben mij sterk geïnspireerd.

Ik studeerde dus geografie aan de toenmalige Rijksuniversiteit Gent en behaalde het diploma van licentiaat in 1969 met een scriptie over het natuurlandschap van het eiland Paros in de Griekse Cycladen. In 1968, een jaar na de staatsgreep van de kolonels, deed ik twee maanden terreinwerk op een Grieks eiland: mijn eerste ‘ver’ land en meteen mijn allereerste vliegtuigreis! Er zijn er daarna nog vele gevolgd. Onmiddellijk daarna kon ik als NFWO-aspirant, verbonden aan het Laboratorium voor Fysische Geografie van de RUG, beginnen aan een doctoraatsonderzoek op het Laagplateau van Izenberge in de Westhoek. Zeer interessant, maar allesbehalve een ver land! Het terreinonderzoek was al ver gevorderd toen het voor een jaar onderbroken werd door mijn, toen nog verplichte,  legerdienst die begon midden 1971.  Na mijn legerdienst, midden 1972, kreeg ik de onverwachte kans uitgezonden te worden naar het toenmalige Zaïre (nu Democratische Republiek Congo) in het kader van de Universitaire Technische Samenwerking van het Algemeen Bestuur voor Ontwikkelingssamenwerking, uitgevoerd door de RUG. Ik greep die kans, wat wel een ingrijpende wending betekende in mijn nog jonge academische loopbaan. Zodoende werd ik voor vier jaar ‘uitgeleend’ voor onderzoek en onderwijs aan de toenmalige Université Nationale du Zaire, campus Lubumbashi (provincie Shaba, nu terug Katanga). Daar begon ik aan een nieuw doctoraatsonderzoek over de geomorfologie van het plateaucomplex rond de mijnstad Kolwezi, een groot gebied op de waterscheiding tussen de Zambezi en de Zaire (nu terug Congostroom). Het onderzoek gebeurde bijna volledig op het terrein, wat onder de gegeven omstandigheden niet gemakkelijk was, maar wel een belangrijke leerschool voor later. Na mijn terugkeer naar de RUG, einde 1976, werkte ik mijn doctoraat af en verdedigde ik het begin 1978.

Daarna volgde een lange academische loopbaan, van assistent tot gewoon hoogleraar, met onderzoek, onderwijs en dienstverlening aan de Vakgroep Geografie van de UGent. Het onderzoek in het domein van de regionale geomorfologie en later geo-archeologie (de toepassing van geomorfologisch onderzoek voor archeologische opgravingen) verliep bijna uitsluitend in tropische, subtropische en mediterrane streken (de ‘warme’ landen). Het gebeurde hoofdzakelijk interdisciplinair en op het terrein in 25 verschillende landen en binnen zeer talrijke nationale en internationale onderzoeksgroepen. Het onderwijs omvatte o.m. een cursus ‘Tropical Geomorphology’ voor de postgraduaat studenten, meestal uit ontwikkelingslanden, van het ‘International Training Centre for Soil Sciences’ (ITC) van de UGent en de ‘International Postgraduate Training Course on Fundamental and Applied Quaternary Geology’ (IFAQ) van de VUB. Samen met collega-archeoloog Prof. Dr. Frank Vermeulen richtten we de cursus ‘Geo-archeologie’ in, die gemeenschappelijk aan de studenten archeologie en geografie van de UGent gedoceerd werd.

Na mijn emeritaat in 2012 besloot ik terug te keren naar mijn roots en mijn ervaring inzake regionale geomorfologie en geo-archeologie in te zetten voor mijn eigen geboortestreek. In 2016 werd ik voorzitter van ‘Dunsa, Kring voor Geschiedenis, Kunst en Erfgoed van Deinze en de Leiestreek’ (vroeger KOK en KGK) en lanceerde het project ‘Op zoek naar de oudste geschiedenis van Deinze en de Leiestreek’ met de logistieke steun van de UGent en financiële steun van de Stad Deinze. Aan de hand van handboringen en waarnemingen in bouwputten wordt getracht het veranderend natuurlandschap vanaf ongeveer 20.000 jaar geleden te reconstrueren. Daarbij wordt regelmatig samengewerkt met archeologische bedrijven zoals RAAP-België en BAAC en met naburige erfgoedverenigingen zoals ‘Erfgoed Deurle’ en ‘Het Land van Nevele’. Er werden reeds talrijke C14-dateringen gerealiseerd die een beter inzicht geven in de vroegere loop van de Leie die zeer bepalend was voor het site van Deinze. Ook werden met succes een aantal OSL-dateringen op kouter- en rivierduinsedimenten uitgevoerd.

Als ik terugkijk heb ik alle redenen om me een gelukkig man te noemen. Ik werd geboren in een warm gezin, in een tijd en op een plaats die alle mogelijkheden bood. Zelf had ik daar geen enkele verdienste aan! Ik had een zorgeloze jeugd en kreeg een degelijke opleiding in een vriendschappelijke sfeer aan een uitstekende school in mijn eigen geboortestad. Ik mocht studeren aan de universiteit en mocht daarbij mijn eigen studie kiezen.

Van mijn keuze voor geografie heb ik nooit spijt gehad. Integendeel, de brede opleiding, zowel in de mens- als in de natuurwetenschappen, en mijn gekweekte nieuwgierigheid laten me toe de wereld, ook achter de schermen, beter te begrijpen.

Hoe ouder ik word, hoe meer ik van mijn opleiding als geograaf geniet! Toen ik de kans greep naar Zaïre te trekken en me te specialiseren in de ‘warme’ landen betekende dit een belangrijke wending in mijn academische loopbaan. Toen ik later verder specialiseerde in de geo-archeologie werden mijn twee jongensdromen gerealiseerd. Ik kon in mijn loopbaan vele landen bezoeken en kennis maken met verschillende culturen en leerde daarbij dat iedereen wel een stukje van de ‘waarheid’ in pacht heeft en dat we onze westerse pretenties best wat temperen. Ik werkte ook in verschillende landen waar met democratie en mensenrechten een loopje genomen wordt, waar mensen bang zijn hun mening te verkondigen. Dan pas besef je hoe goed we het in ons vrije land hebben. In mijn lessen en in de begeleiding van vele scripties en doctoraten kon ik mijn ervaring aan jonge mensen meegeven. Als je dan ziet dat velen het later zelf maken in hun beroepsleven, dan kan je daar fier op zijn. Zelfs nu nog kan ik gepassioneerd zoeken naar de oudste geschiedenis van Deinze en verder meewerken aan de zoektocht naar de oudste tempel van Egypte in Cairo. Ik ben een gelukkig man, maar besef daarbij dat weinig daarvan mijn eigen verdienste is. Naast geluk en toeval speelde ook mijn gezin een belangrijke rol. Zonder de steun van mijn echtgenote en beide kinderen, die mij dikwijls moesten missen tijdens mijn vele buitenlandse reizen, had ik mijn jongensdroom niet kunnen realiseren.

Op het gevaar af prekerig te zijn wil ik vooral de laatstejaars wat raad meegeven: kies een studie waar je passie voor hebt. Wees en blijf nieuwsgierig, lees en luister veel, durf nadenken, wees kritisch en vorm je eigen mening.

Bewaak en koester onze democratische vrijheden, ze zijn niet voor eeuwig verworven. Breek als een vlinder uit je kleine cocon en ontplooi de vele talenten die je ontvangen hebt. Bedenk daarbij wel dat niet iedereen die kans krijgt. Tracht een evenwicht te vinden tussen werk, gezondheid en je relaties. Wees wereldburgers, ga op reis en ontdek de wereld. Draag er zorg voor, de wereld is jullie thuis!

Ik wens jullie alle succes in het leven toe, de lange weg ligt open!

 

Prof. Dr. Morgan De Dapper

 

Joomla Gallery makes it better. Balbooa.com

Terug naar boven

Terug naar overzicht