Oud-leerling aan het woord: Bruno Vanobbergen

Terug naar overzicht

Bruno Vanobbergen

 

In het HZ’tje zetten we graag eens een oud-leerling van onze school in de schijnwerpers. Voor deze editie gingen we op bezoek bij Bruno Vanobbergen (°1972). Bijna tien jaar lang gaf hij kinderen en jongeren een stem als Vlaamse kinderrechtencommissaris, maar op 1 maart 2019 ging hij aan de slag bij het gloednieuwe agentschap Opgroeien.

 

Laten we beginnen bij het begin: hoe bent u eigenlijk kinderrechtencommissaris geworden?

Eigenlijk ben ik daar een beetje ingetuimeld. Na het behalen van mijn doctoraat in de historische pedagogie heb ik als doctor-assistent een tijdlang aan UGent les gegeven. Ik heb veel gewerkt rond de geschiedenis van de jeugdhulp en de jeugdzorg, de aanpak van armoede … Aandacht voor maatschappelijk kwetsbare kinderen heeft me ook altijd beziggehouden, vandaar dat de vacature voor kinderrechtencommissaris me sterk aantrok. Ik was tot dan toe gewoon om theoretisch bezig te zijn, maar het leek me een uitgelezen kans om mijn academische inzichten eens in de praktijk toe te passen.

 

Ik kan me voorstellen dat die verandering wel een cultuurschok was …

Absoluut. Ik was gewoon om me op een academische manier over dingen te buigen, maar had totaal geen ervaring met de politieke wereld. Ik herinner me een van de eerste keren dat ik geïnterviewd werd: een journalist stelde me een vraag over het hoofddoekenverbod en daar had ik een eerlijk academisch onderbouwd antwoord op geformuleerd. Maar toen het interview werd gepubliceerd, heb ik meteen mogen ervaren dat ik als kinderrechtencommissaris niet meer de vrijheid had die ik als academicus wél had. Ik heb moeten leren aanvoelen wanneer je met bepaalde standpunten naar buiten kan komen. Je kan als kinderrechtencommisssaris politiek dingen doen bewegen, maar je moet op voorhand veel aftoetsen bij parlementsleden en ministers. Zo kom je erachter waar er marge zit, waar er bereidheid zit om dingen te veranderen.

 

Wat is er verbeterd in de voorbije 10 jaar dat u kinderrechtencommissaris was?

De voorbije 10 jaar is er een cultuur ontstaan die ook rekening houdt met het perspectief van de jongere wanneer politieke beslissingen worden genomen, en daar ben ik heel blij mee. Daarnaast wordt het kinderrechtencommissariaat tegenwoordig als een behulpzame ‘partner op afstand’ gezien door de organisaties en instanties waar we mee samenwerken (o.a. scholen, clb’s, jeugdhulpvoorzieningen …). Toen ik begon als kinderrechtencommissaris en ik contacteerde een school, was de eerste reflex vaak “Oei, wat hebben we nu weer verkeerd gedaan?”. Nu contacteren scholen ons zelf wanneer ze vragen hebben rond de aanpak van problemen.

 

Als school zijn we natuurlijk vooral geïnteresseerd in het werk dat het commissariaat gedaan heeft voor leerlingen en scholen. Welke problematiek hebben jullie op dat vlak proberen aan te pakken?

We hebben geprobeerd oplossingen te zoeken en te bemiddelen bij allerhande schoolgerelateerde problemen, zoals de moeilijkheden voor leerlingen, ouders en scholen door onbetaalde schoolfacturen, het M-decreet dat kinderen die heel veel extra ondersteuning nodig hebben in het regulier onderwijs plaatst, pestproblemen, het ontbreken van degelijke oplossingen om onderwijs te garanderen voor langdurig zieke kinderen, het sanctiebeleid op school …

 

Wat was eigenlijk de aanleiding tot het werken rond dat sanctiebeleid?

We stelden vast dat er in het middelbaar onderwijs (vooral dan in het bso) een problematisch hoog aantal definitieve uitsluitingen waren. Jaarlijks kreeg bijna 1 à 2 procent van de scholieren te horen dat ze vanwege bepaalde incidenten – bijvoorbeeld dealen of diefstal –  niet meer welkom waren op hun school. We zijn daarop met een aantal secundaire scholen samen gaan zitten om een sanctiebeleid uit te werken dat vertrekt vanuit zorg voor de leerling. Een sanctiebeleid dat dus na een incident niet automatisch meer leidt tot uitsluiting, maar dat gradaties van bestraffing kent. We hebben het dossier met onze suggesties op onze website gezet en hebben daar van middelbare scholen veel positieve respons op gekregen. Het aantal definitieve uitsluitingen ligt tegenwoordig lager dan vroeger, en daar zijn we tevreden over.

 

U heeft sinds kort een nieuwe job bij het agentschap Opgroeien. Verschilt die veel van de job als kinderrechtencommissaris? 

Thematisch is het inderdaad niet erg verschillend met vroeger. Het nieuwe agentschap Opgroeien is eigenlijk de fusie van de vroegere agentschappen Kind & Gezin en Jongerenwelzijn. We werken beleid uit rond pleegzorg, jongerenadviescentra … Ik zal me vooral bezighouden met hoe de jeugdhulp van de toekomst eruit moet zien. Hoe kan je bijvoorbeeld vanuit de jeugdhulp zoeken naar wisselwerking met de school en het clb om leerlingen met psychische, emotionele, gedrags- of drugsproblemen te ondersteunen zodat ze naar school kunnen blijven gaan, maar wel op zo’n manier dat het haalbaar blijft voor zowel de leerling als de leerkrachten? Of bijvoorbeeld wanneer kinderen uit de jeugdpsychiatrie komen en weer naar school gaan, wat kunnen we doen om die overgang zo goed mogelijk te laten verlopen? Op dat soort thema’s wil ik de komende jaren antwoorden formuleren.

 

Iets anders nu: u bent oud-leerling van Leiepoort campus Sint-Hendrik, vroeger het Sint-Hendrikscollege. Hoe kijkt u terug op uw schooltijd bij ons?

Mijn jaren op het college, dat was echt een hele toffe tijd. We hadden een zeer leuke klasgroep en veel goede leerkrachten. Ik herinner me nog altijd behoorlijk wat dingen alsof ze gisteren zijn gebeurd: het schooltoneel waar ik in meespeelde, mijn vakantiejob op school waarbij ik Johan De Ruyck ging helpen om de boeken voor het nieuwe schooljaar klaar te leggen, de geur van het ‘wafelkot’ (Ampersoet, n.v.d.r.), de legendarische ijsjesmachine … De leerkrachten stonden voor autoriteit en gezag, maar bij een aantal was er ook ruimte om meer te zijn dan gewoon ‘schools’, er was marge om wat informeler te zijn. Ik denk maar aan pakweg Hein Van Holsbeke, Camille Bossaer, Raf De Pestel, William Coppens … maar evenzeer ook de superior en de prefect. Anderzijds vond ik als leerling dat er soms wat te weinig plaats was om ons uit te leven. De dag voor onze 100 Dagen, bijvoorbeeld, hadden we ’s avonds zonder toestemming van de directie de hele speelplaats overspannen met linten - tussen de gebouwen Coubertin, Tolpoort, Gezelle, de kapel, liepen tientallen linten. We keken al uit naar de verraste blikken van de andere leerlingen de dag nadien, maar toen we de ochtend van de 100 Dagen op school kwamen, bleken alle linten te zijn weggehaald. Dat was echt wel jammer, want erg was dat toch niet? We spreken natuurlijk wel over de tweede helft van de jaren 80 en de school was uiteraard een kind van zijn tijd en die strengheid zat er nog wel wat in. Maar goed, dat neemt niet weg dat ik heel positief naar mijn middelbare-schooltijd terugkijk. Met sommige oud-leerkrachten heb ik zelfs nog steeds contact, zoals Wouter De Bruyne van Latijn. Ik blijf die tot op vandaag een heel inspirerend figuur vinden. Ik herinner me dat hij in het laatste jaar Latijn zei: “Goh, we hebben nu toch al redelijk veel Latijn gezien, ik ga vanaf nu eens om de zoveel weken op vrijdagnamiddag klassieke muziek meebrengen. We gaan daar dan samen naar luisteren en ik zal daar wat rond vertellen.” En in het begin denk je als jonge gast: “Man, man, wat is dat hier nu?”, maar na een paar weken begin je te denken: “Eigenlijk heeft klassieke muziek wel iets”.

 

Koen Cherlet

 

Terug naar boven

Terug naar overzicht